Slakkengang

“Rij niet te hard, want dan rij je er zo voorbij.” Dat schrijf ik steevast in mijn mail als ik uitleg waar mijn werkplek is, ergens in het buitengebied. De vertraging begint al voordat mensen bij me zijn.

 

We leven, lees ik overal, in een hypernerveuze samenleving. Het voelt wel alsof de veranderingen nu écht sneller gaan dan we kunnen bijbenen. De behoefte aan eenvoud, aan een leven dat minder gejaagd is, groeit. Ook bij mij. Niets menselijks is mij vreemd.

 

Maar hoe zat het ook alweer met ’tussen droom en daad’? Er stonden wetten in de weg, en praktische bezwaren. Hmm, die herken ik: het verlangen naar even pas op de plaats maken is oprecht, de praktijk weerbarstig. Ook ik heb het gevoel altijd ‘aan’ te staan, met een to-do-lijst waar nooit een eind aan komt. Hoezo vertraging? Practice what you preach is soms ver te zoeken.

 

Juist daarom voelde ik me meteen aangesproken door het bord bij de ingang van mijn “kantoor” midden in de natuur: Slakkengang a.u.b. Een vriendin maakte een keramieken slak voor me, die nu “als een huis” op mijn tafel staat en vaak een gespreksingang biedt, over vertraging, over stilstaan, over wat er ontstaat als je de tijd neemt.

 

“They say I’m old-fashioned and live in the past, but sometimes I think progress progresses too fast,” zei Dr. Seuss ooit. Misschien ben ik ook wel een beetje ouderwets. Het gaat mij soms allemaal veel te snel, en toch word ik er net zo makkelijk in meegezogen. En precies daarom is vertraging zo hard nodig: om thuis te komen in jezelf, hoe snel de wereld om je heen ook draait. Mijn slak is daarvoor een mooie reminder: hij heeft zijn huis altijd bij zich, blijft trouw aan zijn eigen tempo en raakt nooit van slag.

 

Maar even serieus: een slak? Hoe sloom, suf en saai wil je het hebben?

 

Tsja. Noem je praktijk ergens achteraf tussen de weilanden ‘De tweede viool’, dan hoef je geen stoere leeuw of adelaar als totemdier te verwachten. Je krijgt een slak. Maar hier op tafel blijkt hij precies de juiste snaar te raken: traag, onverstoorbaar en wijs. Ik kijk naar hem, en weer naar mezelf; naar dat gejongleer tussen wat ik anderen aanraad en wat ik zelf doe. Daar is, voorzichtig uitgedrukt, nog wel ruimte voor vooruitgang. Maar van hem mag dat in mijn eigen tempo; zelfs als dat een ‘slakkengang’ betekent.

 

Zag ik daar nou een bemoedigend knikje ?